Verkenning sekseverschillen in het onderwijs (Onderwijsraad)

Laatst gewijzigd: 24/10/2020

Verschillen door stereotypering
De kern van dit recente rapport van de Onderwijsraad is dat jongens het steeds minder goed doen in het onderwijs, meisjes (vooralsnog) minder goed op de arbeidsmarkt en dat de onderwijsresultaten, school- en beroepskeuze nog sterk worden gestuurd door stereotypen (e.e.a. nog eens versterkt door sociaaleco-nomische en migratie achtergronden). Het rapport brengt goed in beeld hoe groot de verschillen tussen jongens en meisjes inmiddels op praktisch alle niveaus in het onderwijs zijn geworden: gemiddeld lagere prestaties van jongens in vo en ho, schooluitval, meer doubleren, vaker gestraft, spijbelen, langere studieduur (e.e.a. nog versterkt door sociaaleconomische en/of migratieachtergrond). Verschillen mogen er zijn aldus de Onderwijsraad, maar niet door beperkte keuzevrijheid en ongelijke kansen.

Macrorapport
Dit is duidelijk een macrorapport dat ver van de alledaagse onderwijspraktijk staat. Zijn jongens, hun ouders, leerkrachten en scholen hiermee gebaat? De (forse) sekseverschillen in onderwijsprestaties worden in de eerste hoofdstukken al meteen louter toegeschreven aan genderstereotypering in maatschappelijke beelden, opvoeding en socialisatie. Andere verklaringen worden bijna krampachtig afgewezen, denk aan verschillen in aanleg, onregelmatiger ontwikkeling & integratie van functies en rijping(-stempo) en de eisen die dit aan het onderwijs stelt.

Nu lijkt dit rapport meer een (politiek-)ideologische positionering van (het debat over) genderverschillen en hoe het onderwijs daarop kan reageren een meerzijdig wetenschappelijk onderbouwde analyse. Natuurlijk kan het toedichten van bepaalde behoeften of kenmerken aan jongens of meiden stereotyperend werken. Maar volgens het rapport draait het alleen om het lesmateriaal, beelden en de verwachtingen bij ouders en onderwijskrachten van jongens en meisjes. Verder pleit men voor duidelijkheid, regels, structuur, een veilig pedagogisch-didactisch klimaat, goede begeleiding en een zorgstructuur, anders zijn jongens (extra) in het nadeel. Die laatste punten zijn absoluut van belang, maar wat ís dat veilige klimaat? Hoeveel ruimte is er voor eigen leerprocessen? Welke stimuli hebben juist jongens nodig? Wat is de balans tussen aanreiken en experimenteren of zelf uitzoeken?

Toedichten, of goed wáárnemen?
Het gaat bij leerprocessen en gedrag niet om toedichten, maar om goed wáárnemen en daarnaar handelen. Nu verwachten leerkrach-ten inmiddels al meer van meisjes dan van jongens, terwijl de interactie met als lastig ervaren jongens vaak hapert.
Natuurlijk kunnen traditionele beelden en verwachtingen ouders en leerkrachten hinderen bij de ontwikkeling van de potentiële vaardigheden en kennis van jongens & meisjes. Jongens zijn er net als meisjes zeker bij gebaat als zij zich vrij van klassieke sekserol-len kunnen ontwikkelen. Dat stelt ook het onderwijs voor een opgave, maar is dat het hele verhaal? Bereikt men daarmee ook jongens? Gaan de jongens alleen vooruit door hen vooral andere sekserollen voor te houden en voor de rest duidelijkheid, regels en structuur te bieden? Of moeten we ons ook realiseren dat de meeste jongens een wat andere ontwikkeling doormaken dan meisjes. Denk o.a. aan de wat onregelmatiger groei en rijping van jongens, hun beweeglijkheid, impulsiviteit, executieve functies, taalontwikkeling, leren via trial-and-error. Dit geldt natuurlijk niet voor iedere jongen even sterk, de ontwikkeling van jongens en meisjes vertoont grote overlaps, maar kijk alleen al naar hoe jonge kinderen en jongeren spelen, hun gedrag in de klas, bij welke opdrachten welke kinderen opbloeien, hoe ze communiceren? Deze zaken moeten niet worden overdreven, maar worden echter in het rapport systema-tisch afgewezen. Je poetst ze niet weg met een rapport dat alleen overeenkomsten tussen jongens en meisjes benadrukt en verschillen ontkent, relativeert of louter verwijst naar individuele aanpak. De bepleite ‘zorgstructuur’ wordt nu al overbelast met vnl. jongens die het niet goed doen op school.

Brein: verschillen in structuur of in functionele ontwikkeling
Het complexe samenspel tussen biologische en omgevingsfactoren wordt in dit rapport nu eens erkend en dan weer afgewezen. Zo spreekt het bij ‘hersenen en vaardigheden’ nota bene zélf van ‘kleine tot middelgrote verschillen’, maar men kan er kennelijk niets mee. Qua ontwikkeling van het brein en (non-) cognitieve vaardigheden is overigens het beperkte laboratoriumonderzoek naar structurele verschillen in de hersenen (Crone en Wierenga, Leiden) duidelijk leidend geweest. Zoeken zij de uitleg van verschillen wel op de juiste plek? Zie ook de  veel bredere inbreng van Jolles (o.a. over functionele verschillen) die wel werd geconsulteerd maar wiens bijdrage echter sterk wordt gerelativeerd. Men heeft ook mij uitvoerig geraadpleegd (over o.a. de cumulatieve opbouw van verschillen al vanaf kinderdagverblijf & po en de wat latere rijping en integratie van functies bij jongens), maar dat is nergens terug te vinden. Een recent interview in NRC over neurale verschillen met de Groningse hoogleraar Iris Sommer (neurowetenschap en psychiatrie) is weliswaar opiniërend en geen wetenschappelijk rapport, maar het wijst wel de weg naar nader onderzoek t.a.v. hoe je in het onderwijs bij jongens en meisjes soms andere stimuli moet hanteren. Hier is in de VS door Michael Gurian en in Nederland Jelle Jolles al jarenlang baanbrekend werk verricht en ook zelf zit ik al bijna 30 jaar op dit spoor. Het lijkt in dit rapport óf aanleg (een vorm van ‘essentialisme’ die men terecht verwerpt) óf omgeving, beelden en sociale constructies (wat men duidelijk maar ook eenduidig benadrukt, dus ook ‘essentialistisch’). Het is echter niet óf-óf, het gaat om zicht op de interactie tussen beide en daarin speelt juist het onderwijs een rol.

Verschillen te bewerken?
Sekseverschillen (ook in de ontwikkeling van het brein, cognitieve vaardigheden en gedrag) zijn m.i. meestal niet absoluut, integendeel. Wat qua aanleg voor de hand ligt en hoe dat zich verder ontwikkelt en rijpt, is het ‘te bewerken materiaal’ voor het kind zelf en de opvoeders, inclusief leerkrachten, maar dan moet men daar wel met kennis en inzicht op inspelen. Om de gewenste leerprocessen te realiseren en jongens gelijke kansen te bieden en te bevrijden uit beperkende rollen, moet men ook ingaan op de vraag wat zij dan eigenlijk nodig hebben om meer aan het onderwijs te hebben, met meer plezier en motivatie naar school te gaan, zich vrij te maken van beperkende rolopvattingen en toegerust te raken voor een toekomst waarin mannen en vrouwen elkaar respecteren in alle diversiteit en waarin zij gedeelde verantwoordelijkheden dragen voor eventueel nageslacht, hun omgeving en de planeet.

Gelijke kansen voor jongens?
Gedijen meisjes beter bij ons huidige onderwijs. Of passen zij zich beter aan? De vraag of ons schoolsys-teem jongens evenveel recht doet als meisjes wordt in dit rapport nauwelijks gesteld, eerder bezworen. Waarom er bijv. veel meer jongens naar het speciaal onderwijs gaan, blijft buiten beeld (is dat door aanleg of de situatie in gezin of school of beiden?). Zijn jongens alleen ‘lastiger’ door stereotypen of reageert men onvoldoende op wat zij nodig hebben? Hoe seksestereotypen dan op de verschillende niveaus concreet tot die verschillende uitkomsten leiden blijft in dit rapport onduidelijk.
Waar het perspectief voor meisjes (m.n. op de arbeidsmarkt) een grote plek inneemt, op zich natuurlijk prima, komt het perspectief voor jongens, ook zoals zij dat zelf zien, in dit rapport nauwelijks anders aan bod dan door hen andere beelden voor te houden en stereotypen te bestrijden. Dat laatste is zeker zinnig, maar wat gebeurt er bijvoorbeeld met jongens die afhaken en boos of wrokkig hun heil buiten school zoe-ken omdat zij daar weinig van hun gading vinden, niet aansluitend gestimuleerd worden in het aangebo-den onderwijs? Wat is er nodig om deze jongens binnenboord te houden?

Lange lijn in de ontwikkeling
Men noemt in het rapport het gebrek aan sekserol-voorbeelden voor jongens in het primair onderwijs. Dat leidt echter niet tot een aanbeveling. In het po zouden de prestaties gelijk zijn (overigens beperkt gemeten naar alleen begrijpend lezen en rekenen) en men stelt dat verschillen  pas in het vo ontstaan. Maar welke verschillen? Men gaat niet in op gedrag en de ontwikkeling van motivatie, empathie en ‘schoolse vaardigheden’ in het voorafgaande po (bijv. relatie met de leerkracht, communicatie, anticipatie, plan-ning, zelfregulering). Daar zijn reeds verschillen tussen jongens en meisjes zichtbaar met consequenties voor de latere onderwijsloopbaan. (zie bijv. in onderstaand boek – hoofdstuk 3 ‘Jongens en hun relatie met professionele opvoeders en onderwijsgevenden’. Al staat dit boek in de literatuurlijst, men heeft het duidelijk niet gelezen. Te vrezen valt dat de makers van dit rapport niet over deze kennis beschikken, dan wel die zonder meer terzijde hebben geschoven)

Hier zeker geen pleidooi voor gescheiden onderwijs, integendeel, daarvoor zijn de overlaps en onderlinge variatie veel te groot. Maar hoe kan men niet alleen meisjes maar ook jongens kan aanspreken en stimuleren om hun potentieel te ontwikkelen en extra steunen bij zaken die voor hen minder vanzelfsprekend zijn, als men systematisch de inzichten in hun op sommige punten verschillende aanleg en ontwikkeling afwijst? Juist dat inzicht draagt bij aan een betere interactie met jongens of tot beter materiaal en inrichting van het onderwijs dat ook past bij ook hun ontwikkeling. Natuurlijk, ieder kind is anders, het gaat altijd om de vraag ‘wat heeft dít kind nú nodig’, maar men kijkt met een oog dicht naar jongens.
Gemiste kans en wat dan?
Al met al jammer; een gemiste kans. Hoe gaan het veld en ouders hier op reageren? En de media? Wat kan men dóen aan de achterstand van jongens?  Voor een uitvoeriger, meer gedetailleerd en genuanceerd commentaar ben graagn bereikbaar. Voor goed waarnemen, interpreteren en ingaan op het (leer-)gedrag van jongens kunt u ook terecht in het boek ‘De ontwikkeling van jongens in het onderwijs. Context en praktijk van primair tot en met hoger onderwijs (2019, met Dick van der Wateren en 8 coauteurs). Een integrale benadering, waar mogelijk wetenschappelijk onderbouwd, uitgaand van een helder bio-psycho-sociaal model (wisselwerking van sociale, biologische en pedagogische aspecten). Met de nadruk op brede ontwikkeling geeft het veel aandacht aan de consequenties voor de praktijk met veel tips.

(www.onderwijsraad.nl/verkenning-sekseverschillen-onderwijs)

Reageren

Indien u vragen of opmerkingen heeft, kunt u contact met mij opnemen via het contactformulier.