Search

Lauk Woltring

Print Friendly, PDF & Email

Lauk Woltring ‘Werken met opgroeiende jongens’.           Utrecht 23 oktober 2023 Update

Volwassenen vinden het soms moeilijk contact te maken met opgroeiende jongens. Vandaar deze tekst: eerst concrete tips en vuistregels plus context en achtergronden en – om misverstanden te voorkomen – een ‘bijsluiter’  inzake omgaan met sekseverschillen en gender.

Dit is een voorlopige tekst op veler verzoek en ook een ‘groeitekst’: uw inbreng bij deze tekst is zeer welkom met voorbeelden, aanvullingen, korte en duidelijk casuïstiek en constructief commentaar. Met hulp van degenen die nu tussen opgroeiende jongens zitten of onderzoek doen kan ik e.e.a. uitbreiden tot een publicatie (met literatuur etc.)

U kunt de tekst op 3 manieren lezen. Heel praktisch: eerst de vuistregels (A), dan de Achtergronden (B) en en daarna de ‘Bijsluiter’ (C), of juist eerst (C) de Bijsluiter over genderverschillen of eerst (B) de meer theoretische de achtergronden. De drie tekstgedeelten hangen samen.

Er is een wereld te winnen in opvoeding, hulpverlening, onderwijs en verdere contacten met jongens. We doen jongens geen recht door hen te reduceren tot stereotypen, maar we kunnen wel recht doen aan hun eigen situatie en ontwikkelingsopgaven en hen stimuleren tot rijker taalgebruik, communicatie, meer (zelf-)reflectie & zelfregulatie en beter contact met anderen. Bijvoorbeeld door enige vuistregels als ontwikkelingsgerichte benadering.

A Een aantal vuistregels (steeds  weer anders per persoon, leeftijd en situatie). Overdreven? Pas toe op een manier die bij jou past.

    • Onderzoek als volwassene je eigen gevoelens als je met opgroeiende jongens werkt. Wat boeit je? Waar heb je plezier in, wat intrigeert je? Wat vind je lastig of wat irriteert je?
      In nu al ruim 35 jaar workshops merk ik dat vrouwelijke beroepskrachten zich nogal eens irriteren aan jongens (druk, ‘kijkt niet uit’, ‘let niet op anderen’, harde geluiden, ‘kan nooit stil zitten’) en dat mannen soms onnodig met hen in een machtsstrijd komen.

    • Leer jezelf aan om eerst naar hun kwaliteiten te kijken en hoe zij díe verder kunnen ontwikkelen.

    • Jongens zijn wegens hun beweeglijke en experimenterend gedrag (een kwaliteit!) al vaak gecorrigeerd en/of gestraft en zijn dus op hun hoede. “Alles wat je zegt kan tegen je worden gebruikt”.

    • (Zeker minder veilig gehechte) jongens hebben een radar voor uw irritaties en gaan duiken, ontwijken of stoppen figuurlijk hun oren dicht (“Ja juf, nee juf” en innerlijk na vele keren: “barst juf”) of gaan de strijd aan.

    • Regel 1: contact, contact en nogmaals contact. Spreek hem aan met z’n voornaam als hij binnenkomt. Schep veiligheid, door klank, mimiek, eventueel aanraking, geduld, enige afstand, soms humor (relativerend, schept ruimte) en duidelijke grenzen. Wie is hij? Wat weet je van hem: hobby’s, situatie thuis, wensen? Heb je enig idee wat hem bezighoudt? Laat hem zien dat hij gekend wordt en dat je hem wil kennen.. Respecteer zijn wens naar autonomie en zijn behoefte aan competentie, die hij nog niet adequaat inschat.

    • ‘Echtheid’ of integriteit wordt erg op prijs gesteld; ergens omheen draaien schept verwarring en zij keren zich eerder van je af. Jij bent hún voorbeeld, ook en misschien wel vooral in conflicten!

    • Algemeen (ook buiten stress-situaties, bijv. in kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang of school): koppel taal zoveel mogelijk aan beweging en activiteiten. Als je samen ergens heen loopt moet je welhaast je pas op elkaar afstemmen. Dat gebeurt automatisch en fysiek, en geeft al enig vertrouwen, je hoeft je niet te verweren en hoeft elkaar niet gelijk aan te kijken. Bevragen, laat hem uitleggen wat hij doet, hoe gaat dit of dat, en wat volgt er dan?). “Kan ik je ergens mee helpen?”

    • Wees nieuwsgierig: toon belangstelling en verwondering, ook bij afkeurenswaardig gedrag, tenzij de situatie natuurlijk om onmiddellijke begrenzing of correctie vraagt.

    • Ook bij ‘praatjesmakers’. Zij maskeren vaak een laag zelfbeeld, kunnen niet zonder aandacht maar praten vaak over iets heen. Ooit hebben daar zij baat bij gehad (dan is hun gedrag ooit beloond), nemen zo in de groep een positie in, maar zijn juist door overdrijving kwetsbaar, immers wanneer prikt iemand je verhaal door?
      Hier is het zaak om niet op de ‘geweldige’ verhalen zelf in te gaan (niet belonen). Laat hooguit zijdelings merken dat je ze hebt gehoord. “Geweldig, maar even serieus hoe is het met…?” of “Wat bedoel je met…”, “En hoe ging dat verder..?” of: “Ik wil het graag met je hebben over…”. Poog een kwaliteít in hen te vinden, iets wat jij in hen waardeert en waar ze níet over opscheppen, dan hebben ze t.o. jou ook geen opschepperij meer nodig en voelen zij zich wellicht veiliger. Misschien kun je de veelpraters inschakelen in de klas op iets waar ze echt goed in zijn: “Ik zie dat jij dit onderwerp kent, misschien wil jij die of die even helpen dan ga ik intussen…” maar breng hem daarmee niet in het nauw.

    • Bij een duidelijk incident: “Hé, wat gebeurt er nu?” of: “Wat gebeurde daar?” “Ho, ho, hier gaat even iets niet goed!” Zo nodig (en mogelijk) ingrijpen maar houd je eigen veiligheid in de gaten. De-escaleer. En zodra het kan in een tweegesprek: samen neutraal, verwonderd onderzoeken wat er plaatsvond. Maak er geen ‘verhoor’ van waarin hij wordt betrapt en op zijn eigen woorden wordt gevangen. Draai eventueel samen ‘het filmpje’ terug. “Hoe kijk jij er nu op terug?”. Zoek samen naar alternatieven. “Wat voel of denk jij daarbij”. Dring niet aan, maar stel deze vraag wel. Laat die eventueel onbeantwoord, dan weet hij dat hij daar later mee kan terug komen.
      Soms: “Wat zou jij in mijn plaats doen?” (Doe dit liever een-op-een en niet in de klas of groep, dat roept eerder afweer op, tenzij de situatie voor iedereen veilig genoeg is om open te communiceren).

    • Samen de-escaleren wordt vaak op prijs gesteld omdat zij zelf ook wel aanvoelen dat hun reactie of gedrag niet helemaal OK is; zij hebben zichzelf a.h.w. nog niet helemaal in de hand. De volwassene is als het ware even zijn prefrontale cortex (het bij hen nog niet volgroeide deel van het brein waar o.a. de zelfregulatie zetelt). Laat hem in zijn waarde.

    • Realiseer je dat hij het misschien eng en/of bedreigend vindt dat je mogelijk dwars door hem heen kijkt en zo macht over hem kan uitoefenen. Neem de tijd, laat af en toe stiltes vallen (niet te lang).

    • Help hem onder woorden te brengen wat hij voelt en bedoelt. Geduld! Neem een neutrale maar sympathieke houding aan. Wat kan ik voor jou doen? Wat voor hulp stel jij nu op prijs. Dring geen hulp op, tenzij écht nodig. Aanbod zal vaak worden afgewezen (‘hmm’), maar hij zal het wel onthouden.

    • Laat grove of beschuldigende taal even gaan. Parafraseer neutraal met jouw woorden en check of je het goed verwoordt. Voelt een jongen zich eenmaal begrepen en veilig, gaat hij eerder open en is hij bereid mee te denken over wat er gebeurd is en wat hij nu zou kunnen doen.

    • Spreek kort, helder en duidelijk. Maak eerst contact, vraag aandacht, doe je mededeling en geef dán pas eventueel nadere uitleg i.p.v. uitvoerig inleiden en aftasten; dat  maakt bij jongens dat ze eerder meer op hun hoede zijn: “Wat doe ik nu weer niet goed of wat hangt me boven het hoofd?”. Dit leidt tot stress, ze gaan in de survival stand en luisteren nog minder goed.

    • Ga er niet van uit dat jongens jouw berichten of opmerkingen even goed horen en/of hetzelfde interpreteren als meisjes (zie ook verderop). Meisjes willen nog wel eens pleasen (hún copinggedrag om aandacht te krijgen of zich geliefd te voelen). (Zeker kleine) jongens zijn veel minder gehoorzaam. Je opmerking ‘gaat het ene oor in maar bereikt het andere oor niet eens’. Luisteren met een half oor (‘je moet nu eenmaal luisteren’), murmelen wellicht iets van ‘ja’ en gaan eigenlijk gewoon door. Ze kunnen het gehoorde bij wijze van spreken niet inpassen in wat zij aan het doen zijn of denken.

    • Vaak moet je iets herhalen. Let goed op of wat je zegt wel ontvangen wordt en ook écht binnenkomt. Zij zeggen vaak ‘jaha’ maar dan alleen om van jou en je opmerking of herinnering aan een afspraak af te zijn. Probeer hier je irritatie de baas te blijven. Vaak komt iets pas de 2e of 3e keer echt binnen, zeker als je hem helpt het gevraagde of gezegde in te passen in zijn ‘schema’. En vermijdt het woordje ‘weer’… “Heb je nu wéér niet dit gedaan, of heb je nu wéér dat gedaan?”. Een echte afknapper: ooit een jongetje van 6: “Zo gauw ik het woordje ‘weer’ hoor, doe ik mijn oren al dicht”.

    • (Nog latent) homoseksuele jongens of jongens die niet in het door hen als gangbaar gevoelde patroon vallen, zijn soms extra behoedzaam om niet door toon, klank of expressie op te vallen en mikpunt te worden.

B  Achtergronden en context:

Nature:
Door hun aanleg ontwikkelen de meeste jongens – interactief met hun omgeving – hun talige brein en vaardigheden iets later, anders en onregelmatiger dan de meeste meisjes. Denk hier aan: luisteren, spraak, talig geheugen, interpretatie van het gehoorde, talige reflectie of communicatie. Ook empathie komt wat later.
Het gaat hier niet om structurele verschillen (o.a. Crone en Wierenga) maar om functionele en functioneringsverschillen (o.a. Jolles) en tempoverschillen in de rijping & integratie van verschillende functies. Bijv. ‘pruning’, ‘groei en snoei’ van verbindingen in het zich ontwikkelende brein, zet later in (o.a. Gied & Gogtay). Verbindingen die je niet gebruikt ‘verdwijnen’ en de wel benutte en nieuw aangemaakte verbindingen worden sneller en efficienter. D verschillen tussen jongens en meisjes zitten vooral in het tempo van de ontwikkeling en omgevingsinvloeden tijdens die langere ontwikkeling.
Meisjes hebben bijvoorbeeld rond 11-12 gemiddeld 1,5 jaar voorsprong in o.a. taal. Dit is vrij bekend maar leidt opmerkelijk genoeg niet tot consequenties in allerlei teksten over opvoeden en onderwijs, terwijl aan alle kanten lagere taalvaardigheden als belangrijke voorspeller van leerproblemen worden gezien (o.a. Hattie en Yates).
LW: Mogelijk zijn hier stereotypen in het spel: “Het zijn ‘nu eenmaal’ jongens” of:  “We weten het wel maar doen (kunnen) er eigenlijk weinig mee”.  Door iets mee te maken (actief en passief) dat in woorden om te zetten en erop te reflecteren maken jongens de nodige nieuwe verbindingen.

Hun beweeglijkheid/grote motoriek en onrustige energie springen in het oog maar zelfregulatie (o.a. prefrontale cortex) komt later tot ontwikkeling, denk bijv. aan impulsief en ‘hier-en-nu-gedrag’ evenals vooruit denken over de gevolgen van eigen gedrag en planning. Door iets mee te maken (actief en passief) maken zij alsnog de nodige verbindingen. Zij hebben volwassenen nodig die hen helpen steeds meer verantwoordelijkheid op te nemen voor wat er in hen omgaat, wat zij willen, zeggen en doen en voor hun omgeving.

Nurture:
Jongens ontwikkelen hun talige vermogens, zelfreflectie, empathie en zelfregulatie niet in een neutrale omgeving, integendeel. Terwijl jongens tot 10-11 jaar juist kwetsbaarder zijn[1] verwacht men van hen tegelijkertijd meer kracht en weerbaarheid, en qua schoolse vaardigheden (o.a. taal, planning, zelfregulatie) verwacht men van hen meestal hetzelfde als meisjes. Men eist van hen vaak te veel te vroeg. Dat laat zijn sporen na. Van meet af aan treffen zij in opvoeding en onderwijs veel talig meer actieve vrouwen om zich heen die hen ook veel met voor jongens nog complexe, vaak gelaagde taal benaderen. Er is minder ruimte voor hun grote motoriek en fysiek experimenteren waarmee zij zich aanvankelijk vooral uitdrukken of waarmee zij op stress reageren. Dit ervaren volwassenen vaak als lastig.

Verder is er onder jongens sprake van onderlinge concurrentie (gunstig: zowel elkaar uitdagen en elkaar stimuleren, en ongunstig: anderen neerdrukken, vernederen, isoleren, niet steunen. In extremo zien we ook hier ‘de achterkant van het patriarchaat en binnenkant van ‘the male box’, gepaard aan een vaak nog wat zwak zelfbeeld (o.a. door weinig constructieve interactie met sekserolvoorbeelden en niet waar te maken beelden in de media)[1].

Stereotypen
Stereotypen spelen hier natuurlijk een rol zoals de onderwijsraad in haar rapport Verkenning sekseverschillen in het onderwijs (2022) benadrukt, maar deze bestaan (helaas) en bieden tegelijk vaak (soms destructieve) houvast en coping vaardigheden. Je kunt ze niet ontkennen of alleen bestrijden zonder in te gaan op de ontwikkelingskenmerken, vragen en perspectieven van jongens.

Waar de onderwijsraad stelt dat aandacht geven aan verschillen deze juist groter maakt, stel ik echter dat bij ontkenning deze verschillen als reactie hierop eerder toenemen en met vele anderen (o.a. Tavecchio, Gurian, Reeves) stel ik dat deze verschillen alleen goed zijn te bewerken en verminderen als we er juist récht aan doen zonder ze overigens te benadrukken. Dit adviseerde ik de onderwijsraad ook bij uitvoerige consultatie, hier is helaas niet op in gegaan (zie ook op deze site: thema’s -> onderwijs -> sekseverschillen).

Interacties

Al vroeg krijgen jongens ingeprent “Laat je niet kennen” (-> nogal beroerd voor latere relaties), “Echte mannen huilen niet en laten geen zwakheden zien” (-> isolatie),Ben jij nou een vent?” (-> bluf), “De eerste klap is een daalder waard” (-> agressie). Dit zeggen niet alleen mannen maar verrassend genoeg ook veel vrouwen. Niet praten maar van je af slaan, het beeld van stoere zwijgzame mannen die alles wel even oplossen. Dit varieert natuurlijk per klasse, opleidingsgraad of cultuur. Het geldt op straat en bij minder opgeleide jongens extra sterk, maar ook bij meer opgeleide mannen in ‘meer subtiele’ vormen.
In westerse hoog geïndustrialiseerde cultuur spelen concurrentie, de sterkste zijn, anderen opzij kunnen zetten een grote rol (prototype Elon Musk, Andrew Tate e.v.a.). In niet westerse culturen spelen familiewaarden, eer, schaamte en schuld/loyaliteit zeer sterk. Vaak is e.e.a. diep geïnternaliseerd.

Jongens zijn niet zielig, integendeel, maar niet goed op hen afgestemde opvoeding, hulp of onderwijs leidt tot beperkte ontwikkeling en sommige jongens gaan ook anderen (jongens, meisjes, LGBTQIA+, minderheden) beperken. Zij zoeken mogelijk houvast bij traditionele voorbeelden en extreem ‘mannelijke’ influencers á la Andrew Tate. Kort door de bocht: macht over anderen reduceert eigen onzekerheden.

Realiseer je  dat waarschijnlijk bij veel meer jongens dan meisjes sprake is van onveilige gehechtheid aan hun ouders of opvoeders (o.a. Tavecchio, Woltring, 2019). In plaats van hulp of troost te zoeken als iets (ernstig) tegen zit ‘lossen zij e.e.a. wel zelf op’ en gaan zij voor hun eigen veiligheid zorgen lang voordat zij daar echt aan toe zijn!  Vandaar een grote controle behoefte (macht) en egocentrisme.
Veel wangedrag of inadequaat gedrag is dan ook ‘coping gedrag’ bij gebrek aan steun en vaardigheden. Inzicht hierin opent de weg naar vervanging door ander gedrag dat meer constructief is voor hen zelf, voor hun sociale relaties en hun omgeving. Kortweg: “Dit ……. kan niet, maar wat wil je eigenlijk? Het kan ook anders..” Kijk met hen naar hun gedrag en de consequenties voor hen zelf en hun omgeving. Praat niets goed, draait niet om fouten heen, wees heel duidelijk over het gebeurde en hun gedrag, (“Ik zag dat jij…”) maar hen beschuldigen of hen hun gedrag verwijten zonder alternatief aan te reiken maakt dat zij in het nauw komen en verder in hun schulp kruipen, smoezen gebruiken, naar anderen wijzen of agressief worden (beschuldigingen en verwijten zonder uitweg te weten tast immers hun gevoel van ‘veiligheid’ aan).

Jongens voelen zich onderling maar ook in communicatie met meisjes en volwassenen vaak onveilig al doen zij brutaal, overdrijven of zwijgen zij. Spreken is voor hen als het betreden van een strijdtoneel: zij kunnen zich (nog) niet altijd even duidelijk uitdrukken en vinden vaak niet de woorden bij nog nauwelijks gearticuleerde emoties en gevoelens.
De omgeving ziet dat soms als ontkennen, draaien, liegen of grof taalgebruik, waar eerder sprake is van afweer, duiken, tijd winnen voor een reactie of uitgestelde reflectie. Vaak hebben zij zich nog niet ten volle gerealiseerd wat ze gedaan of nagelaten hebben en wat daar de gevolgen van zijn. Daar hebben zij nog vaak hulp bij nodig en een vóór alles veilige situatie omdat altijd áfgaan op de loer ligt (ook voor zichzelf). Hier geldt bij uitstek: “C’est la ton qui fait la musique

Zij worden thuis, in KDV, PO of BSO vaak complex met taal gecorrigeerd op hun nog experimenterend gedrag. Een jongen van 7: “Je moet zeggen wat je aan het doen bent en dan krijg je op je donder!” Effect kan zijn:  ‘Alles wat je zegt kan tegen je worden gebruikt’.

Zij bluffen vaak of tonen defensief taalgebruik. Tenzij in woede (of ‘superenthousiasme’) laten zij niet het achterste van hun tong zien.

Hypothese: jongens lopen wellicht een soort ‘Sociale Taal-Ontwikkelings-Stoornis’ op die hen later beperkt en hindert in leren, (zelf-)reflectie en communicatie, bijvoorbeeld over wat zij voelen en/of bedoelen. Ik heb hier tal van aanwijzingen voor maar nader onderzoek lijkt mij hier nodig.

Vaders
Intrigerend is dat in gezinnen waar de vaders actief zijn betrokken bij de opvoeding, voorlezen en verzorging van kinderen (a) meisjes meer gaan durven (b) jongens hun talige vermogens sneller ontwikkelen omdat zij zich zouden spiegelen aan het kortere en meer directe taalgebruik van vaders, maar ook zich willen verdiepen in de vreemde woorden en verhalen van vader en (c) jongens minder riskant gedrag gaan vertonen. (Tavecchio 2017)
Dit geldt mogelijk ook mannen in opvoeding, hulp of onderwijs. De talige ontwikkeling blijft langzamer dan bij meisjes, maar gaat toch sneller dan zonder actieve vaders[2].

C  Bijsluiter: bij sekse en genderverschillen moeten we niet overdrijven. Maak geen problemen waar ze niet zijn. Sekse(aanleg) & gender (invulling van sekse) zijn slechts enige uit vele factoren. Ik bepleit wel feeling voor sekse- & genderverschillen. Geen jongen is hetzelfde.  Sommige jongens gaan prima. Dus reduceer hen niet tot hun sekse (of gender) maar speel er waar nodig wel op in en houd rekening met hun eigen kwaliteiten en ontwikkelingsopgaven.

‘Genderneutraal’ klinkt wel mooi maar doet onvoldoende recht aan jongens, meisjes & ontluikende LHBTQIA+. Ook jongens zijn hard op zoek naar hún invulling van hun mannelijkheid: sekse, gender, identiteit en onderlinge verhoudingen. Zij zoeken zín in hun bestaan, hoe zij hun energie op een constructieve wijze kunnen gebruiken en zich met anderen kunnen verbinden. Daarbij ontmoeten zij soms beroerde voorbeelden, weerstanden in zichzelf en hun omgeving. Dit noem ik wel de beperkende achterkant van het patriarchaat en binnenkant van de ‘male box’ waarbij zij terugvallen in oude ongezonde en destructieve patronen.

Soms volgen jongens een andere en langere weg dan meisjes naar dezelfde vaardigheden, bijvoorbeeld taal en communicatie. In veel  ontwikkelingen zijn meisjes eerder, soms jongens. De integrátie van breinfuncties is bij jongens duidelijk later. Het gaat hier om gemiddelden met grote overlaps. Dus geen stereotypen, wél zijn er verschillen in ontwíkkeling en tempo van rijping, voorbeelden, verwachtingen, socialisatie, motieven en leerstijlen. En in gemakkelijker te ontwikkelen kwaliteiten. Kijk bij opvoeding, onderwijs en hulpverlening dus ook naar sekse én gender. Een kwestie van interactie tussen aanleg en omgevingsinvloeden.

PS Mijn opmerkingen en waarnemingen gelden niet of minder bij zeer verharde situaties, ’karakters’ of ernstiger stoornissen á la autisme, sommige vormen van ADHD of Asperger e.d. of kinderen met TOS door aanleg of beschadiging na geboorte.


[1] Kraemer (2000, 2017) (Notes on) the fragile male (zie ook mijn website, pag. literatuur)

[2]   Tavecchio in lezing voor GGD Zeeland 2017. Recent nog bevestigd door Universiteit Leeds: Helen Norman & Jeremy Davies What a difference a dad makes sept. 2023) over invloed van vaders op schoolprestaties jongens.


[1] Recent wees een wereldwijd onderzoek (62 landen) op de kortere levensduur van mannen die zich sterk voegen in het traditionele mannelijkheidsbeeld. Vandello, J. A., Wilkerson, M., Bosson, J. K., Wiernik, B. M., & Kosakowska-Berezecka, N. (2023). ‘Precarious manhood and men’s physical health around the world’. Psychology of Men & Masculinities, 24(1), 1–15. https://doi.org/10.1037/men0000407

Lauk Woltring ‘Werken met opgroeiende jongens’.           Utrecht 23 oktober 2023 Update

Volwassenen vinden het soms moeilijk contact te maken met opgroeiende jongens. Vandaar deze tekst: eerst concrete tips en vuistregels, context en achtergronden en – om misverstanden te voorkomen – een ‘bijsluiter’  inzake omgaan met sekseverschillen en gender.

Dit is een voorlopige tekst op veler verzoek en ook een ‘groeitekst’: uw inbreng bij deze tekst is zeer welkom met voorbeelden, aanvullingen, korte en duidelijk casuïstiek en constructief commentaar. Met hulp van degenen die nu tussen opgroeiende jongens zitten of onderzoek doen kan ik e.e.a. uitbreiden tot een publicatie (met literatuur etc.)

U kunt de tekst op 3 manieren lezen. Heel praktisch: eerst de vuistregels (A), dan de Achtergronden (B) en en daarna de ‘Bijsluiter’ (C), of juist eerst (C) de Bijsluiter over genderverschillen of eerst (B) de meer theoretische de achtergronden. De drie tekstgedeelten hangen samen

Er is een wereld te winnen in opvoeding, hulpverlening, onderwijs en verdere contacten met jongens. We doen jongens geen recht door hen te reduceren tot stereotypen, maar we kunnen wel recht doen aan hun eigen situatie en ontwikkelingsopgaven en hen stimuleren tot rijker taalgebruik, communicatie, meer (zelf-)reflectie & zelfregulatie en beter contact met anderen. Bijvoorbeeld door enige vuistregels als ontwikkelingsgerichte benadering.

A Een aantal vuistregels (steeds  weer anders per persoon, leeftijd en situatie). Overdreven? Pas toe op een manier die bij jou past.

    • Onderzoek als volwassene je eigen gevoelens als je met opgroeiende jongens werkt. Wat boeit je? Waar heb je plezier in, wat intrigeert je? Wat vind je lastig of wat irriteert je?
      In nu al ruim 35 jaar workshops merk ik dat vrouwelijke beroepskrachten zich nogal eens irriteren aan jongens (druk, ‘kijkt niet uit’, ‘let niet op anderen’, harde geluiden, ‘kan nooit stil zitten’) en dat mannen soms onnodig met hen in een machtsstrijd komen.

    • Leer jezelf aan om eerst naar hun kwaliteiten te kijken en hoe zij díe verder kunnen ontwikkelen.

    • Jongens zijn wegens hun beweeglijke en experimenterend gedrag (een kwaliteit!) al vaak gecorrigeerd en/of gestraft en zijn dus op hun hoede. “Alles wat je zegt kan tegen je worden gebruikt”.

    • (Zeker minder veilig gehechte) jongens hebben een radar voor uw irritaties en gaan duiken, ontwijken of stoppen figuurlijk hun oren dicht (“Ja juf, nee juf” en innerlijk na vele keren: “barst juf”) of gaan de strijd aan.

    • Regel 1: contact, contact en nogmaals contact. Spreek hem aan met z’n voornaam als hij binnenkomt. Schep veiligheid, door klank, mimiek, eventueel aanraking, geduld, enige afstand, soms humor (relativerend, schept ruimte) en duidelijke grenzen. Wie is hij? Wat weet je van hem: hobby’s, situatie thuis, wensen? Heb je enig idee wat hem bezighoudt? Laat hem zien dat hij gekend wordt en dat je hem wil kennen.. Respecteer zijn wens naar autonomie en zijn behoefte aan competentie, die hij nog niet adequaat inschat.

    • ‘Echtheid’ of integriteit wordt erg op prijs gesteld; ergens omheen draaien schept verwarring en zij keren zich eerder van je af. Jij bent hún voorbeeld, ook en misschien wel vooral in conflicten!

    • Algemeen (ook buiten stress-situaties, bijv. in kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang of school): koppel taal zoveel mogelijk aan beweging en activiteiten. Als je samen ergens heen loopt moet je welhaast je pas op elkaar afstemmen. Dat gebeurt automatisch en fysiek, en geeft al enig vertrouwen, je hoeft je niet te verweren en hoeft elkaar niet gelijk aan te kijken. Bevragen, laat hem uitleggen wat hij doet, hoe gaat dit of dat, en wat volgt er dan?). “Kan ik je ergens mee helpen?”

    • Wees nieuwsgierig: toon belangstelling en verwondering, ook bij afkeurenswaardig gedrag, tenzij de situatie natuurlijk om onmiddellijke begrenzing of correctie vraagt.

    • Ook bij ‘praatjesmakers’. Zij maskeren vaak een laag zelfbeeld, kunnen niet zonder aandacht maar praten vaak over iets heen. Ooit hebben daar zij baat bij gehad (dan is hun gedrag ooit beloond), nemen zo in de groep een positie in, maar zijn juist door overdrijving kwetsbaar, immers wanneer prikt iemand je verhaal door?
      Hier is het zaak om niet op de ‘geweldige’ verhalen zelf in te gaan (niet belonen). Laat hooguit zijdelings merken dat je ze hebt gehoord. “Geweldig, maar even serieus hoe is het met…?” of “Wat bedoel je met…”, “En hoe ging dat verder..?” of: “Ik wil het graag met je hebben over…”. Poog een kwaliteít in hen te vinden, iets wat jij in hen waardeert en waar ze níet over opscheppen, dan hebben ze t.o. jou ook geen opschepperij meer nodig en voelen zij zich wellicht veiliger. Misschien kun je de veelpraters inschakelen in de klas op iets waar ze echt goed in zijn: “Ik zie dat jij dit onderwerp kent, misschien wil jij die of die even helpen dan ga ik intussen…” maar breng hem daarmee niet in het nauw.

    • Bij een duidelijk incident: “Hé, wat gebeurt er nu?” of: “Wat gebeurde daar?” “Ho, ho, hier gaat even iets niet goed!” Zo nodig (en mogelijk) ingrijpen maar houd je eigen veiligheid in de gaten. De-escaleer. En zodra het kan in een tweegesprek: neutraal, verwonderd, samen onderzoeken wat er plaatsvond. Maak er geen ‘verhoor’ van waarin hij wordt betrapt en op zijn eigen woorden wordt gevangen. Draai eventueel samen ‘het filmpje’ terug. “Hoe kijk jij er nu op terug?”. Zoek samen naar alternatieven. “Wat voel of denk jij daarbij”. Dring niet aan, maar stel deze vraag wel. Laat die eventueel onbeantwoord, dan weet hij dat hij daar later mee kan terug komen.
      Soms: “Wat zou jij in mijn plaats doen?” (Doe dit liever een-op-een en niet in de klas of groep, dat roept eerder afweer op, tenzij de situatie voor iedereen veilig genoeg is om open te communiceren).

    • Samen de-escaleren wordt vaak op prijs gesteld omdat zij zelf ook wel aanvoelen dat hun reactie of gedrag niet helemaal OK is; zij hebben zichzelf a.h.w. nog niet helemaal in de hand. De volwassene is als het ware even zijn prefrontale cortex (het bij hen nog niet volgroeide deel van het brein waar o.a. de zelfregulatie zetelt). Laat hem in zijn waarde.

    • Realiseer je dat hij het misschien eng en/of bedreigend vindt dat je mogelijk dwars door hem heen kijkt en zo macht over hem kan uitoefenen. Neem de tijd, laat af en toe stiltes vallen (niet te lang).

    • Help hem onder woorden te brengen wat hij voelt en bedoelt. Neem een neutrale maar sympathieke houding aan. Wat kan ik voor jou doen? Wat voor hulp stel jij nu op prijs. Dring geen hulp op, tenzij écht nodig. Aanbod zal vaak worden afgewezen (‘hmm’), maar hij zal het wel onthouden.

    • Laat grove of beschuldigende taal even gaan. Parafraseer neutraal met jouw woorden en check of je het goed verwoordt. Voelt een jongen zich eenmaal begrepen en veilig, gaat hij eerder open en is hij bereid mee te denken over wat er gebeurd is en wat hij nu zou kunnen doen.

    • Spreek kort, helder en duidelijk. Maak eerst contact, vraag aandacht, doe je mededeling en geef dán pas eventueel nadere uitleg i.p.v. uitvoerig inleiden en aftasten; dat  maakt bij jongens dat ze eerder meer op hun hoede zijn: “Wat doe ik nu weer niet goed of wat hangt me boven het hoofd?”. Dit leidt tot stress, ze gaan in de survival stand en luisteren nog minder goed.

    • Ga er niet van uit dat jongens jouw berichten of opmerkingen even goed horen en/of hetzelfde interpreteren als meisjes (zie ook verderop). Meisjes willen nog wel eens pleasen (hún copinggedrag om aandacht te krijgen of zich geliefd te voelen). (Zeker kleine) jongens zijn veel minder gehoorzaam. Je opmerking ‘gaat het ene oor in maar bereikt het andere oor niet eens’. Luisteren met een half oor (‘je moet nu eenmaal luisteren’), murmelen wellicht iets van ‘ja’ en gaan eigenlijk gewoon door. Ze kunnen het gehoorde bij wijze van spreken niet inpassen in wat zij aan het doen zijn of denken.

    • Vaak moet je iets herhalen. Let goed op of wat je zegt wel ontvangen wordt en ook écht binnenkomt. Zij zeggen vaak ‘jaha’ maar dan alleen om van jou en je opmerking of herinnering aan een afspraak af te zijn. Probeer hier je irritatie de baas te blijven. Vaak komt iets pas de 2e of 3e keer echt binnen, zeker als je hem helpt het gevraagde of gezegde in te passen in zijn ‘schema’. En vermijdt het woordje ‘weer’… “Heb je nu wéér niet dit gedaan, of heb je nu wéér dat gedaan?”. Een echte afknapper: ooit een jongetje van 6: “Zo gauw ik het woordje ‘weer’ hoor, doe ik mijn oren al dicht”.

    • (Nog latent) homoseksuele jongens of jongens die niet in het door hen als gangbaar gevoelde patroon vallen, zijn soms extra behoedzaam om niet door toon, klank of expressie op te vallen en mikpunt te worden.

B  Achtergronden en context:

Nature:
Door hun aanleg ontwikkelen de meeste jongens (in interactie met hun omgeving) hun talige brein en vaardigheden iets later, anders en onregelmatiger dan de meeste meisjes. Denk hier aan: luisteren, spraak, talig geheugen, interpretatie van het gehoorde, talige reflectie of communicatie. Ook empathie komt wat later.
Het gaat hier niet om structurele verschillen (o.a. Crone en Wierenga) maar om functionele en functioneringsverschillen (o.a. Jolles) en tempoverschillen in de rijping & integratie van verschillende functies. Bijv. ‘pruning’, ‘groei en snoei’ van verbindingen in het zich ontwikkelende brein, zet later in (o.a. Gied & Gogtay).
Meisjes hebben bijvoorbeeld rond 11-12 gemiddeld 1,5 jaar voorsprong in o.a. taal. Dit is vrij bekend maar leidt opmerkelijk genoeg niet tot consequenties in allerlei teksten over opvoeden en onderwijs, terwijl aan alle kanten lagere taalvaardigheden als belangrijke voorspeller van leerproblemen worden gezien (o.a. Hattie en Yates).
LW: Mogelijk zijn hier stereotypen in het spel: “Het zijn ‘nu eenmaal’ jongens” of:  “We weten het wel maar doen (kunnen) er eigenlijk weinig mee”.  Door iets mee te maken (actief en passief) dat in woorden om te zetten en erop te reflecteren maken jongens de nodige nieuwe verbindingen.

Hun beweeglijkheid/grote motoriek en onrustige energie springen in het oog maar zelfregulatie (o.a. prefrontale cortex) komt later tot ontwikkeling, denk bijv. aan impulsief en ‘hier-en-nu-gedrag’ evenals vooruit denken over de gevolgen van eigen gedrag en planning. Door iets mee te maken (actief en passief) maken zij alsnog de nodige verbindingen. Zij hebben volwassenen nodig die hen helpen steeds meer verantwoordelijkheid op te nemen voor wat er in hen omgaat, wat zij willen, zeggen en doen en voor hun omgeving.

Nurture:
Jongens ontwikkelen hun talige vermogens, zelfreflectie, empathie en zelfregulatie niet in een neutrale omgeving, integendeel. Terwijl jongens tot 10-11 jaar juist kwetsbaarder zijn[1] verwacht men van hen tegelijkertijd meer kracht en weerbaarheid, en qua schoolse vaardigheden (o.a. taal, planning, zelfregulatie) verwacht men van hen meestal hetzelfde als meisjes. Men eist van hen vaak te veel te vroeg. Dat laat zijn sporen na. Van meet af aan treffen zij in opvoeding en onderwijs veel talig meer actieve vrouwen om zich heen die hen dan ook veel met voor jongens nog complexe, vaak gelaagde taal benaderen, en er is minder ruimte voor hun grote motoriek en fysiek experimenteren waarmee zij zich aanvankelijk vooral uitdrukken. Dit ervaren volwassenen vaak als lastig.

Verder is er onder jongens sprake van onderlinge concurrentie (gunstig: zowel elkaar uitdagen en elkaar stimuleren, en ongunstig: anderen neerdrukken, vernederen, isoleren, niet steunen. In extremo zien we ook hier ‘de achterkant van het patriarchaat en binnenkant van ‘the male box’, gepaard aan een vaak nog wat zwak zelfbeeld (o.a. door weinig constructieve interactie met sekserolvoorbeelden en niet waar te maken beelden in de media)[1].

Stereotypen
Oriëntaties op stereotypen spelen hier natuurlijk een rol zoals de onderwijsraad in haar rapport Verkenning sekseverschillen in het onderwijs (2022) benadrukt, maar deze bestaan (helaas) en bieden tegelijk vaak (soms destructieve) houvast en coping vaardigheden. Je kunt ze niet ontkennen of alleen bestrijden zonder in te gaan op de ontwikkelingskenmerken en vragen van jongens.

Waar de onderwijsraad stelt dat aandacht geven aan verschillen deze juist groter maakt, stel ik echter dat bij ontkenning deze verschillen als reactie hierop eerder toenemen en met vele anderen (o.a. Tavecchio, Gurian, Reeves) stel ik dat deze verschillen alleen goed zijn te bewerken en verminderen als we er juist récht aan doen zonder ze overigens te benadrukken. Dit adviseerde ik de onderwijsraad ook bij uitvoerige consultatie, hier is helaas niet op in gegaan (zie ook op deze site: thema’s -> onderwijs -> sekseverschillen).

Interacties

Al vroeg krijgen jongens ingeprent “Laat je niet kennen” (-> nogal beroerd voor latere relaties), “Echte mannen huilen niet en laten geen zwakheden zien” (-> isolatie),Ben jij nou een vent?” (-> bluf), “De eerste klap is een daalder waard” (-> agressie). Dit zeggen niet alleen mannen maar verrassend genoeg ook veel vrouwen. Niet praten maar van je af slaan, het beeld van stoere zwijgzame mannen die alles wel even oplossen. Dit varieert natuurlijk per klasse, opleidingsgraad of cultuur. Het geldt op straat en bij minder opgeleide jongens extra sterk, maar ook bij meer opgeleide mannen in ‘meer subtiele’ vormen.
In westerse hoog geïndustrialiseerde cultuur spelen concurrentie, de sterkste zijn, anderen opzij kunnen zetten een grote rol (prototype Elon Musk, Andrew Tate e.v.a.). In niet westerse culturen spelen familiewaarden, eer, schaamte en schuld/loyaliteit zeer sterk. Vaak is e.e.a. diep geïnternaliseerd.

Jongens zijn niet zielig, integendeel, maar niet goed op hen afgestemde opvoeding, hulp of onderwijs leidt tot beperkte ontwikkeling en sommige jongens gaan ook anderen (jongens, meisjes, LGBTQIA+, minderheden) beperken. Zij zoeken mogelijk houvast bij traditionele voorbeelden en extreem ‘mannelijke’ influencers á la Andrew Tate. Kort door de bocht: macht over anderen reduceert eigen onzekerheden.

Realiseer je  dat waarschijnlijk bij veel meer jongens dan meisjes sprake is van onveilige gehechtheid aan hun ouders of opvoeders (o.a. Tavecchio, Woltring, 2019). In plaats van hulp of troost te zoeken als iets (ernstig) tegen zit ‘lossen zij e.e.a. wel zelf op’ en gaan zij voor hun eigen veiligheid zorgen lang voordat zij daar echt aan toe zijn!  Vandaar een grote controle behoefte (macht) en egocentrisme.
Veel wangedrag of inadequaat gedrag is dan ook ‘coping gedrag’ bij gebrek aan steun en vaardigheden. Inzicht hierin opent de weg naar vervanging door ander gedrag dat meer constructief is voor hen zelf, voor hun sociale relaties en hun omgeving. Kortweg: “Dit ……. kan niet, maar wat wil je eigenlijk? Het kan ook anders..” Kijk met hen naar hun gedrag en de consequenties voor hen zelf en hun omgeving. Praat niets goed, draait niet om fouten heen, wees heel duidelijk over het gebeurde en hun gedrag, (“Ik zag dat jij…”) maar hen beschuldigen of hen hun gedrag verwijten zonder alternatief aan te reiken maakt dat zij in het nauw komen en verder in hun schulp kruipen, smoezen gebruiken, naar anderen wijzen of agressief worden (beschuldigingen en verwijten zonder uitweg te weten tast immers hun gevoel van ‘veiligheid’ aan).

Jongens voelen zich onderling maar ook in communicatie met meisjes en volwassenen vaak onveilig al doen zij brutaal, overdrijven of zwijgen zij. Spreken is voor hen als het betreden van een strijdtoneel: zij kunnen zich (nog) niet altijd even duidelijk uitdrukken en vinden vaak niet de woorden bij nog nauwelijks gearticuleerde emoties en gevoelens.
De omgeving ziet dat soms als ontkennen, draaien, liegen of grof taalgebruik, waar eerder sprake is van afweer, duiken, tijd winnen voor een reactie of uitgestelde reflectie. Vaak hebben zij zich nog niet ten volle gerealiseerd wat ze gedaan of nagelaten hebben en wat daar de gevolgen van zijn. Daar hebben zij nog vaak hulp bij nodig en een vóór alles veilige situatie omdat altijd áfgaan op de loer ligt (ook voor zichzelf). Hier geldt bij uitstek: “C’est la ton qui fait la musique

Zij worden thuis, in KDV, PO of BSO vaak complex met taal gecorrigeerd op hun nog experimenterend gedrag. Een jongen van 7: “Je moet zeggen wat je aan het doen bent en dan krijg je op je donder!” Effect kan zijn:  ‘Alles wat je zegt kan tegen je worden gebruikt’.

Zij bluffen vaak of tonen defensief taalgebruik. Tenzij in woede (of ‘superenthousiasme’) laten zij niet het achterste van hun tong zien.

Hypothese: jongens lopen wellicht een soort ‘sociale Taal-Ontwikkelings-Stoornis’ op die hen later beperkt en hindert in leren, (zelf-)reflectie en communicatie, bijvoorbeeld over wat zij voelen en/of bedoelen? Ik heb hier tal van aanwijzingen voor maar nader onderzoek lijkt mij hier nodig.

Vaders
Intrigerend is dat in gezinnen waar de vaders actief zijn betrokken bij de opvoeding, voorlezen en verzorging van kinderen (a) meisjes meer gaan durven (b) jongens hun talige vermogens sneller ontwikkelen omdat zij zich zouden spiegelen aan het kortere en meer directe taalgebruik van vaders, maar ook zich willen verdiepen in de vreemde woorden en verhalen van vader en (c) jongens minder riskant gedrag gaan vertonen. (Tavecchio 2017)
Dit geldt mogelijk ook mannen in opvoeding, hulp of onderwijs. De talige ontwikkeling blijft langzamer dan bij meisjes, maar gaat toch sneller dan zonder actieve vaders[2].

C  Bijsluiter: bij sekse en genderverschillen moeten we niet overdrijven. Maak geen problemen waar ze niet zijn. Sekse(aanleg) & gender (invulling van sekse) zijn slechts enige uit vele factoren. Ik bepleit wel feeling voor sekse- & genderverschillen. Geen jongen is hetzelfde.  Sommige jongens gaan prima. Dus reduceer hen niet tot hun sekse (of gender) maar speel er waar nodig wel op in en houd rekening met hun eigen kwaliteiten en ontwikkelingsopgaven.

‘Genderneutraal’ klinkt wel mooi maar doet onvoldoende recht aan jongens, meisjes & ontluikende LHBTQIA+. Ook jongens zijn hard op zoek naar hún invulling van hun mannelijkheid: sekse, gender, identiteit en onderlinge verhoudingen. Zij zoeken zín in hun bestaan, hoe zij hun energie op een constructieve wijze kunnen gebruiken en zich met anderen kunnen verbinden. Daarbij ontmoeten zij soms beroerde voorbeelden, weerstanden in zichzelf en hun omgeving. Dit noem ik wel de beperkende achterkant van het patriarchaat en binnenkant van de ‘male box’. 

Soms volgen jongens een andere en langere weg dan meisjes naar dezelfde vaardigheden, bijvoorbeeld taal en communicatie. In veel  ontwikkelingen zijn meisjes eerder, soms jongens. De integrátie van breinfuncties is bij jongens duidelijk later. Het gaat hier om gemiddelden met grote overlaps. Dus geen stereotypen, wél zijn er verschillen in ontwíkkeling en tempo van rijping, voorbeelden, verwachtingen, socialisatie, motieven en leerstijlen. En in gemakkelijker te ontwikkelen kwaliteiten. Kijk bij opvoeding, onderwijs en hulpverlening dus ook naar sekse én gender. Een kwestie van interactie tussen aanleg en omgevingsinvloeden.

Mijn opmerkingen en waarnemingen gelden niet bij zeer verharde situaties, ’karakters’ of ernstiger stoornissen á la autisme, sommige vormen van ADHD of Asperger e.d. of kinderen met TOS door aanleg of beschadiging na geboorte.


[1] Kraemer (2000, 2017) (Notes on) the fragile male (zie ook mijn website, literatuur)

[2]   Tavecchio in lezing voor GGD Zeeland 2017. Recent nog bevestigd door Universiteit Leeds: Helen Norman & Jeremy Davies What a difference a dad makes sept. 2023) over invloed van vaders op schoolprestaties jongens.


[1] Recent wees een wereldwijd onderzoek (62 landen) op de kortere levensduur van mannen die zich sterk voegen in het traditionele mannelijkheidsbeeld. Vandello, J. A., Wilkerson, M., Bosson, J. K., Wiernik, B. M., & Kosakowska-Berezecka, N. (2023). ‘Precarious manhood and men’s physical health around the world’. Psychology of Men & Masculinities, 24(1), 1–15. https://doi.org/10.1037/men0000407

Voeg uw header hier toe