Bespreking Jelle Jolles, Tienerbrein

Laatst gewijzigd: 19/12/2016

Jelle Jolles Het tienerbrein. Over de adolescent tussen biologie en omgeving. Amsterdam University Press 2016   ca.360 pagina’s   ISBN 978 94 6298 398 4

Het belang van dit integrale boek over de ‘normale’ ontwikkeling van adolescenten met tal van aanwijzingen hoe hen te motiveren en te ondersteunen is nauwelijks te overschatten. Het is soepel geschreven, niet wetenschappelijk maar het heeft wel een wetenschappelijke pretentie. Jolles laat zeer overzichtelijk de neerslag zien van jaren (neuro-)psychologisch onderzoek naar het grote belang van aandacht voor de rijping van tieners in diverse stadia, met forse consequenties voor opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid. Ook sekseverschillen krijgen de nodige aandacht. Hij gaat genuanceerd in op een aantal items waarbij (de meeste) jongens verschillen van (de meeste) meisjes en hoe daar goed op in te spelen, bijvoorbeeld bij  taal, planning, empathie en ruimtelijk functioneren. Het wordt duidelijk hoe jongens gemiddeld wat onregelmatiger en langzamer rijpen dan meisjes en wat dat betekent voor de school en de leraar. Hier is eerder over gepubliceerd, maar vaak fragmentarisch, te absoluut, te oppervlakkig of te eenzijdig. Jolles ruimt een aantal neuromythen op, maar veel van wat we zo ongeveer wel denken te weten – maar waar wij te weinig mee dóen – wordt prachtig in stappen uitgewerkt, waardoor deze inzichten hanteerbaar worden.

Tieners zíjn niet hun brein, maar dankzij hun brein en de invloed van ervaren volwassenen kunnen zij hun brein ontwikkelen, in de diepte én in de breedte en zo hun talenten maximaal ontplooien. Bij Jolles geen wiskunde of taalknobbel, hij legt uit hoe voorsprong op bijv. taalgebied de ontwikkeling van wiskundig inzicht kán remmen en hoe ruimtelijk bewegen tot ontwikkeling van wiskundige vaardigheden bijdraagt. Ook laat hij zien hoe je empathie en sociaal gedrag kunt stimuleren door het helpen visualiseren van een situatie. Bij Jolles ligt de nadruk op de plasticiteit van het brein en daarin (adolescentieperiode!) de ontwikkeling van de executieve functies (zicht op de gevolgen van eigen handelen, anticipatie, planning, remming van impulsen, en het plaats geven aan eigen emoties en die van anderen). Deze ontwikkeling gaat niet vanzelf, zoals de afgelopen decennia in opvoeding en onderwijs maar al te gemakkelijk werd aangenomen, maar veronderstelt een actieve houding van ouders en volwassenen die immers de context maken waarin de talenten van kinderen tot ontplooiing kunnen komen.

In mijn woorden: door iets mee te maken maakt de tiener nieuwe verbindingen, en dat is bij uitstek de bedoeling van de adolescentietijd. Tieners hebben, ook al zullen zij dat soms om het hardst ontkennen,  daarbij volwassenen met hun ervaringen zeer nodig: om dingen aangereikt te krijgen, om van te leren, om zich tegen hen af te zetten, voor steun en om zich toe te verhouden.

Ouders en leraren moeten in Jolles’ woorden de regie weer meer in handen nemen dan nu gebruikelijk is. Daarbij hebben zij verschillende rollen. Achtereenvolgens: manager (wanneer de prefrontale cortex, lees executieve functies, in de vroege adolescentie nog niet voldoende is ontwikkeld om bijv. risico’s van sommige handelingen goed in te schatten); leider om noodzakelijke leerstof aan te reiken en het belang uit te leggen van zaken waarvan leerlingen dat nog niet zien en wanneer kinderen moeite hebben met zich een voorstelling te maken – een mentaal beeld – van de emoties van een ander of een consequentie in de toekomst. Vervolgens is hij afnemend leider en meer sturende coach in de midden adolescentie als zij zicht geven op de diverse stappen naar een doel en adviseur, uiteindelijk mentor, in de late adolescentie, die voor de meeste meisjes nog tot 22 duurt en voor de meeste jongens tot 25… En steeds ook verhalenverteller (inspiratie en samenhang). Deze rollen lopen langzaam in elkaar over. Het boek is één groot pleidooi om je in de tiener in zijn/haar ontwikkeling te verdiepen. Jolles: “Ouders, leraren en coaches zijn hoveniers in het hersentuintje van de adolescent. Zij onderhouden het gewas, zorgen voor cognitieve en emotionele voeding en beschutting en begeleiden de groei. Daarmee scheppen zij de voorwaarden voor de persoonlijke ontplooiing.” Zij verbreden hun keuzemogelijkheden en leerstrategieën. Jolles ontpopt zich ook als goed pedagoog als hij in talloze aansprekende voorbeelden het nut van de getoonde inzichten illustreert. Opvoeden blijft uitvinden, geen kind is immers hetzelfde (aanleg, autobiografie, specifieke omstandigheden) maar met dit gereedschap wordt het een stuk gemakkelijker en waarschijnlijk ook leuker, in ieder geval minder frustrerend én zeker boeiender.

Het is een rijk boek, met wellicht wat veel herhalingen, maar deze staan steeds weer in een andere context waardoor de kernboodschappen beter beklijven. Het boek lijkt omvangrijk, maar een groot lettertype, de indeling in heldere niet te lange hoofdstukken, kadertjes, mooie illustraties en samenvattingen maken het zeer leesbaar. Voor leraren en (hoger) opgeleide ouders goed toegankelijk. Hopelijk staat er een keer iemand op die dit boek vereenvoudigt en inkort, maar zonder verlies van diepgang, en zo ook toegankelijk maakt voor lager opgeleide ouders. Ook zij verdienen het deze kennis aangereikt te krijgen bij hun vaak moeilijke klus, om bijvoorbeeld in hun veel ongunstiger sociaal economische situaties toch hun kinderen dat te bieden wat zij nodig hebben om het in onze complexe wereld ver te kunnen schoppen. De wereld heeft ook hen hard nodig.

Lauk Woltring (Werken met jongens), november 2016

Reageren of contact opnemen

Indien u wilt reageren op dit bericht, kan dat in het reactieformulier hieronder.

Indien u contact met mij wilt opnemen, kan dit met het contactformulier.